De mens

De mens is de grootste plaag van de natuur.
Niet alleen doordat hij onvoorzichtig is met vuur en bos of heidebranden veroorzaakt, maar ook omdat hij zijn vuil in de natuur achterlaat en bomen beschadigd doordat hij takken afrukt of namen in bomen snijdt.
Hij vertrapt soms de jonge aanplant, steelt de kostbaren humuslaag uit het bos voor de azaleakweek, plukt zeldzame bloemen die zich dan niet verder kunnen voortplanten of verstoord vogels tijdens het broedseizoen
De belangrijkste reden is echter dat hij ingrijpt in de natuur. Er worden wegen aangelegd, nieuwe woonwijken komen op plaatsen waar vroeger natuur was en de luchtvervuiling door bijvoorbeeld de industrie levert zure regen op waar de bossen zwaar van te leiden hebben. Als je daar dan nog de verontreiniging van het grondwater bijtelt, dan heb je een aardige indruk van de schade die de mens aan de natuur aanbrengt.

 

Het weer

Sneeuw

Zware paksneeuw is in staat om takken te doen afbreken en zelf hele boomkruinen te laten afknappen. Jonge bomen buigen soms helemaal dubbel onder de last van de sneeuw. Jonge planten kunnen door de druk van de sneeuw ook verstikt worden.

 

Vorst

Over het algemeen kunnen bomen goed tegen de vorst. Bij strenge vorst zijn er echter bomen die doodvriezen (bijv de Zeepijn). Ook jonge aanplant kan ernstig onder strenge vorst leiden.
Bij de loofbomen kunnen bovendien "vorstlijsten" of "vorstspleten" ontstaan. Overdag zal de boom aan de zuidelijke zijde worden verwarmd door de zon en zet het hout uit. In de nacht zal het hout door de kou weer krimpen. De buitenste (vochthoudende) jaarringen zullen echter meer krimpen dan de kern. Het gevolg is dat de buitenkant met een enorme knal open barst, soms wel over een lengte van 2 a 3 meter. Deze wond wordt langzaam overgroeid en het lidteken noemt men een vorstlijst.

 

Hitte

Hierdoor kunnen de grond en de planten verdrogen en afsterven. Hoe ouder de boom des te minder last hij hiervan heeft. Met name de jonge bomen waar de wortels nog niet diep genoeg zijn doorgedrongen om bij water te komen hebben van hitte en droogte te leiden.
Bomen met een glad bast (zoals bijvoorbeeld de Beuk) kunnen last krijgen van zonnebrand. Wanneer de stammen (bijvoorbeeld door ondeskundig snoeien) niet voldoende beschaduwd zijn kunnen de felle zonnestralen de bast plaatselijk doen afsterven en afvallen. Zwammen en insecten doen dan de rest van het werk en de boom zal doodgaan.

 

Regen

Op hellend terrein kan zware regenval schade veroorzaken doordat het wegstromende water de humuslaag (de voedingslaag) en de grond kunnen wegspoelen en zelfs de wortels bloot kunnen leggen. Tevens kan de grond "dichtslaan" zodat er geen zuurstof meer in kan komen.

 

Wind

Wind kan schade aan de bomen veroorzaken. Jonge bomen zullen onder invloed van wind die steeds uit dezelfde richting komt scheef gaan staan of bij sterkere wind loswaaien.
In de buurt van de zee zal de zoute zeewind de knoppen aan de zeezijde aantasten waardoor die slecht uitlopen of zelfs afsterven.
Bij storm kan er zeer grote schade in het bos ontstaan. Met name de bomen met een vlak wortelstelsel kunnen dan omwaaien. (Spar, Douglas). Bomen zullen met name kunnen omvallen als er in een bos een open plek is ontstaan. Het vacuüm van de wind op de open plek zal de bomen laten omvallen.

(Ook onoordeelkundig aangelegde brandgangen kunnen dit veroorzaken.)

Bovendien kunnen er zware takken uit de kruinen breken (Ga dus nooit het bos in bij een storm)

Bliksem

Het is maar heel zelden dat bliksem een bosbrand veroorzaakt. Het regent immers meestal als het onweert. Wel kan de bliksem een hele spiraal van de schors wegslaan waardoor een boom dood gaat. Het kan zelfs voorkomen dat een boom die door de bliksem getroffen wordt min of meer explodeert.
Alleen staande bomen, hoge bomen en bomen met een lange spitse kroon hebben de meeste kans om door bliksem getroffen te worden.
Ook de soort boom maakt verschil uit. De eik de populier en de iep bevatten relatief veel water en worden eerder door bliksem getroffen dan bijvoorbeeld de Beuk of de Berk die oliehoudend zijn.

 

Zwammen

Zwammen hebben zelf geen bladgroen en kunnen daarom zelf geen voedsel aanmaken. Ze halen dat voedsel uit levende of dode (rottende) planten of dieren. De schade van zwammen is gelegen in het feit dat ze planten of bomen ziek maken en doden.
Er zijn zwammen die de stammen inwendig laten rotten, anderen veroorzaken het afsterven de bast of de twijgen weer anderen misvormen de boom of veroorzaken bladvlekziekten terwijl er ook zwammen zijn die de wortels van een boom aantasten.

De Honingzwam

Dit is een geelbruine paddestoel, waarvan de
hoed bezet is met donkere schubjes.
Hij leeft op dood loofhout en levend naaldhout. Hij doodt dennenbomen, fijnsparren en lariksen als ze 8 tot 15 jaar oud zijn.

De Wortelzwam of "Dennemoorder"

Deze kan je vinden aan de wortelstam van aangetaste naaldbomen. Hij vernielt dennen, sparren, douglasdennen en lariksen van 10 tot 25 jaar.

Gouden zwam of "Koffievuurtjeszwam".

Deze ontstaat doordat de humuslaag door een vuur is gesteriliseerd. De sporen van de zwam hebben dan de mogelijkheid om de grond in te komen en de wortels van de naaldbomen aan te tasten. Met name dennenbomen zijn bijzonder gevoelig en gaan dood. Een enkel vuurtje op de grond kan een heel bosperceel vernietigen.

Dieren

Veldmuizen

Deze schillen de jonge aanplant net boven de grond
Of knagen bij zware sneeuwval het jonge hout onder
de grond door.

 

Waterratten

Deze beknagen de wortels van de houtgewassen en
knagen zelfs polsdikke stammetjes door.

 

Hazen & konijnen

Deze bijten twijgen af en schillen jonge stammetjes. Ze bijten ook de jonge scheuten af waardoor de groei van de boom wordt belemmerd.

 

Herten en reeen

Ook zij lusten de schors van jonge bomen en eten
de jonge loten en het blad.

 

Insecten

Insecten zijn het meest schadelijk voor de bosbouw.

 

Schorskevers

Deze maken gangen in het hout en beknagen
twijgen van gezonde bomen.

 

Dennescheerders

Dit is een zwart of donkerbruin kevertje van
c.a 4 mm groot. Hij boort gaatjes en gangen in de boomschors en holt ook jonge loten van dennenbomen uit. Deze verdrogen dan en breken af als er wind komt. In het najaar kan je soms honderden afgebroken scheuten in het bos vinden en soms zit de kever er nog in.

 

Kleine wintervlinder

Dit is een grijs vlindertje van c.a. 3 mm groot.
Hij beschadigt het jonge groen van fruitbomen en
eiken

Dennelotrups

Deze tast de knoppen van jonge dennenbomen
aan. De knop sterft dan af. Als dit de hoofdknop is (die in het midden zit er van waaruit de tak of de stam verder groeit) dan neemt een van de zijknoppen die taak over. Omdat een boom altijd in de richting van de zon groeit zal er een vreemde bocht ontstaan, de zogenaamde "Waldhoorn"

Denneharsbuilrups

Vooral aan de knoppen van dennenbomen zie
je vaak witte knikkers hangen. Dit zijn de zogenaamde "Harsmannetjes" Hier heeft een vlinder zijn eitje gelegd en het uitgekomen rupsje heeft zich in de twijg geboord waardoor de hars naar buiten is gevloeid.
Later verpopt de rups zich in de harsbuil en als het een volwassen vlinder is, maakt het een gaatje en verlaat de harsbuil.

 

Galwesp

Onder de bladen van de Hollandse zomereik vind je
vaak groene, rode of bruine "knikkers' Dit zijn galnoten. In deze galnoten vind je een larve of een volwassen exemplaar van de galwesp. Zodra de wesp volgroeid is boort hij een gaatje en verlaat zijn tijdelijke woning.

1. Galnoten op eikenblad
2. Doorsnede van galnoot met larve
3. Galwesp

 

Ter beschikking gesteld door Peter van Eijnsbergen - Calandtroep Rotterdam

SCHADE AAN DE NATUUR

-------------------------